Rode druppels in het water.
Wezenloos staarde Sarah er naar, maar ze was al veel verder
met haar gedachten om nog te beseffen dat ze doodbloedde.
Haar hoofd was leeg. Geen verdriet meer. Geen wanhoop en
eenzaamheid. Terwijl de pijn in haar losgesneden polsen
vervloog, was ze al lang aan de andere kant, waar rust op
haar wachtte.
Samen met Seth…
Benny was een lange man
die stonk naar bier en sigaretten. Hij was aantrekkelijk, op
de één of andere manier, hoewel hij geen enkele moeite deed
zich te presenteren en altijd in een verschoten spijkerbroek
en T-shirt met doodskoppen liep. Het slangenleer van zijn
cowboylaarzen leek in staat van ontbinding te verkeren, zo
intens smerig.
En ondanks dat was hij knap. Hij had een gespierd
bovenlichaam waar menig sportman jaloers op zou zijn en met
zijn hoekige gezicht met een sterke kaaklijn en fijne neus,
had hij zo op een Calvin Klein-billboard kunnen staan.
Sarah keek eens naar hem terwijl hij zijn broek dichtknoopte.
Een hevige pijn scheerde door haar borstkas en ze wist dat
haar hart bloedde. Als ze haar ogen zou sluiten, zou ze de
rode druppels kunnen zien die langzaam uit de wond opwelden.
Net als de rode druppels op het tapijt in de hal. De rode
druppels op de trapleuning. De rode druppels op de overloop.
Op de slaapkamervloer. Het beddengoed. Op haar.
Ze voelde opnieuw de pijn. Hoorde het geschreeuw. Het
gerinkel van glas.
Haar hoofd leek te barsten en uit alle macht hield ze haar
tranen in bedwang.
Als Benny had opgelet, had hij de verwilderde en furieuze
blik in haar ogen gezien die op dat moment verscheen, maar
hij had het te druk met zijn laarzen. Hij zat op het bed,
met zijn rug naar haar toe terwijl hij een vaag liedje
neuriede.
‘Weet je zeker dat ik je niet ergens van ken?’ vroeg hij.
Sarah lachte hard. Niet omdat het vreemd was dat hij dat
niet voor hun wilde samenzijn had gevraagd, maar omdat ze
nog steeds niet kon geloven dat hij haar niet had herkend
toen ze elkaar ontmoetten in de kroeg. Het had haar maar een
paar dagen gekost voor ze wist waar ze hem kon vinden. En
het had haar maar een uurtje gekost om zijn aandacht te
krijgen en uiteindelijk zijn wantrouwen weg te toveren.
Hij had een jaar lang in haar hoofd rondgespookt. Als ze
droomde zag ze hem. Als ze wakker was zag ze hem. Haar hele
leven draaide om hem, degene die dat leven juist verscheurd
had. Maanden had ze gefantaseerd en de zoete smaak van wraak
prikkelde dag in dag uit haar zintuigen. En nu het bijna
zover was, wist hij niet eens wie zij was.
Voor hem was ze niemand.
‘Misschien,’ zei ze.
Benny lachte, Sarah wist niet waarom. Ze lag nog steeds
naakt in het kleine bed, onder de witte lakens die – op een
paar vlekken daargelaten – schoner waren dan de rest van
zijn appartementje.
‘Waar zou ik je van kunnen kennen?’ vroeg Benny, doorzeurend
over het onderwerp.
‘Misschien heb je over me gedroomd.’ Haar stem klonk kil.
‘Dat zou ik me herinneren,’ lachte hij. ‘Zo’n mooie meid…’
De eerste en laatste keer dat Benny haar had gezien, was ze
geen mooie meid geweest. Toen hadden zijn vriendjes haar
gezicht al bont en blauw geslagen en hadden bloedvegen haar
witte huid besmeurd. Maar dat wist hij niet meer. Ze was
immers niemand.
Dat had ze al snel ontdekt toen hij na een paar biertjes was
begonnen te praten over zijn hobby’s. Hoe hij voor de gein
inbrak in huizen met zijn vriendjes en de bewoners
terroriseerde. Maar dat wist Sarah al. Zo had ze Benny leren
kennen een jaar geleden.
Benny haalde zijn schouders op. ‘Het maakt ook niet uit.’
Hij leunde over haar heen en kuste haar. Sarah voelde hoe
haat en woede een weg naar buiten zochten en ze wist dat ze
zich niet lang meer zou kunnen beheersen. Het was zover. Hij
zou nu boeten, daar op dat moment, voor wat hij had gedaan.
Ze beet in zijn onderlip. Benny gilde toen ze hem verraste.
Hij greep naar zijn mond en zag het bloed op zijn vingertop.
‘Zo, jij durft.’ Hij lachte. Voor hem was het een spelletje.
Nog wel.
Sarah stond op van het bed. Langzaam schoot ze in haar
kleren, onderwijl de man vlakbij haar goed in het oog
houdend. Hij probeerde het wondje aan zijn lip dicht te
krijgen zodat het niet meer zou bloeden.
‘Dus je houdt van spelletjes?’ vroeg Benny. Hij grijnsde.
Maar die grijns verdween al snel van zijn gezicht toen hij
zag hoe Sarah op hem afvloog. Schreeuwend hief ze de
honkbalknuppel boven haar hoofd en liet hem met een enorme
vaart op Benny’s hersenpan neerkomen. Ze hoorden beiden de
schedel kraken.
Benny gilde als een speenvarken en zakte neer op de grond.
Versuft keek hij op naar de jonge vrouw die bij hem
neerknielde. Dat engelengezicht, dat kende hij. Hij kende
haar. Wie was zij?
‘Wie…’
Sarah glimlachte. ‘Weet je het niet? Echt niet? Het is
inmiddels al een jaar geleden dat we elkaar ontmoetten. Toen
jij met je vrienden ons huis binnenkwam en feestvierde. In
mijn huis… In mijn lichaam…’
‘Wat –… Mijn hoofd…’
‘Seth? Herinner je je Seth nog?’
Benny schudde zijn hoofd. Een dikke straal bloed liep langs
zijn slaap.
‘Je hebt hem door het raam gegooid. Nadat je hem had
neergestoken. Nadat jullie hem als boksbal hadden gebruikt.
Voordat jullie hem vermoordden!’
Ze gilde nu, bijna hysterisch. Maar dat was slechts de woede
en de pijn. Maar voor een paar seconden. Daarna daalde een
enorme rust van het ene op het andere moment op haar neer,
alsof iemand haar bij de hand nam en haar tot kalmte maande.
Sarah glimlachte weer. ‘Maar nu is het bijna voorbij… Hij
wacht op me. Ik moet nu gaan. Dag Benny.’
Benny kreunde. Hij was nog net bij bewustzijn toen ze de
honkbalknuppel nog één maal neer liet komen en zijn schedel
verbrijzelde.
Rode druppels spatten tegen haar witte shirt.
Sarah streek haar haren uit haar gezicht, sloot de kamer en
ging naar huis. Half verdoofd liep ze naar de badkamer en
liet het bad vollopen. Ik kom er aan…