Toen Meric zijn ogen opende en
haar zag, wist hij dat ze echt was. Ze was geen hallucinatie, geen fantasie,
geen wrede twist aan het einde van een droom. Ze was bij hem en ze was echt. Zo
duidelijk als de lichten van de laatste kaarsen die nog brandden, zo werkelijk
als de sofa waarop hij in slaap was gevallen en net zo echt als het boek dat hij
nog altijd losjes in zijn handen hield.
Hij keek in haar grijsgroene ogen en zij keek naar hem. Hij zag zichzelf
weerspiegeld in de glinsterende irissen met die gouden vlekjes waarvan hij
zoveel hield. Ja, ze was echt en ze was hier en ze was nog precies zoals hij
zich herinnerde.
Julia.
Ze boog naar hem toe. Hij rook haar, die zoete, hemelse geur die haar altijd had
omringd en die hij zo enorm had gemist. Het boek gleed van zijn schoot toen hij
overeind kwam, maar de doffe klap bereikte nooit zijn oren. Alles werd overstemd
toen ze glimlachte en ze de stilte vereeuwigde.
Hij kuste haar en de gewaarwording van haar lippen was exact zoals het altijd
was geweest. Ze smaakte zoals ze altijd had gedaan en de zachte aanraking van
haar mond was zoals hij zich herinnerde. Het was meer dan perfect; het was zoals
het hoorde. Zoals hij bij haar hoorde en zij bij hem.
Hij wilde haar zeggen hoeveel hij van haar hield, hoe ontzettend hij haar had
gemist. Maar de woorden vormden zich slechts in zijn hoofd en bleven
onuitgesproken. Er waren zoveel dingen die hij haar wilde zeggen, maar hij wist
dat elk woord alleen maar tijd zou kosten. Tijd die ze niet hadden. Deze dag,
deze laatste uren waarin hij nog heel even bij haar mocht zijn, was alles dat ze
hadden. Het enige, het laatste, voor hij voorgoed zou verdwijnen en hij haar
nooit meer zou zien.
Ze kroop tegen hem aan op de bank. Haar warme lichaam ontdooide de ijslaag op
zijn ziel en verwarmde hem van binnen. De ijskoude wind die door hem heen had
gewaaid ging liggen toen ze haar hoofdje op zijn schouder legde en haar lippen
in zijn hals drukte. Hij sloeg zijn arm om haar heen en trok haar zo dicht
mogelijk tegen zich aan. Toen sloot hij zijn ogen. Een dag. Een dag voor hij zou
betalen met het enige dat hij bezat: zijn ziel.
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
‘Je had beter moeten weten,’
zei Cerberus streng. Hij stond met zijn rug naar Meric gekeerd, een nonchalante
houding die hij dikwijls aannam. In werkelijkheid luisterde hij naar elk geluid,
elke zucht, elke beweging die Meric maakte en daaruit kon Cerberus precies
opmaken wat hij dacht.
‘Je had beter moeten weten,’ zei Cerberus weer. Hij draaide zich eindelijk om,
met een afkeurende zucht, als een vader die zijn zoon terechtwees. ‘Hoe haal je
het in je hoofd? Ik zou je moeten doden voor je verraad! Niemand kan ongestraft
naar boven zonder de consequenties te dragen!’
Meric wendde zijn blik af naar boven, naar het plafond van zwart gesteente. Hij
verdrong de woede en teleurstelling, in de hoop dat Cerberus het niet zou zien
of voelen.
‘Waarom ben je hier?’ vroeg Cerberus. Hij keek Meric onderzoekend aan, maar er
schitterden pretlichtjes in zijn gele ogen. Hij haalde diep adem en blies de
lucht toen langzaam uit. Zijn hete adem zette de zuurstof om in wolkjes condens.
‘Ik wil bij haar zijn, mijn heer,’ zei Meric. Eindelijk keek hij op, in
Cerberus’ ogen. Als dit werkelijk was wat hij wilde, zou hij alles doen om zijn
heer te overtuigen. Hij zou alles op alles zetten om te krijgen wat hij wilde.
En het enige dat hij wilde was Julia.
Cerberus lachte. Het was een bulderende lach die tegen de kale muren van het
vertrek echode.
‘Je wilt bij haar zijn?’ vroeg hij met een stem vol afkeur. ‘Je bent gebonden
aan de grenzen van deze dimensie. Je bent een demon. Denk je nu werkelijk dat ik
al mijn krachten gebruik zodat jij kunt samenzijn met een mens?’ Hij
sprak het woord uit met zoveel verachting dat Meric huiverde.
‘Ik weet dat u die macht heeft. Ik vraag u, ik smeek u, mijn heer.’
Cerberus dacht lang na. ‘Goed,’ zei hij uiteindelijk met samengeknepen ogen. ‘Ik
zal je naar boven sturen. Voor een dag.’
‘Heer -’
‘Een dag,’ zei Cerberus. ‘En daarna zul je terugkomen en geef je me je ziel.’
Meric huiverde opnieuw, maar dit keer van angst. Hij hield van Julia. Hij zou
alles opgeven om nog een dag bij haar te mogen zijn. Zelfs zijn ziel, ook al
betekende dat dat hij na zijn terugkomst nooit meer vrij zou zijn. Zijn wil zou
Cerberus toebehoren, tot in de eeuwigheid.
‘Wel? Wat is je beslissing?’ vroeg Cerberus.
Meric haalde diep adem en knikte toen. ‘Mijn ziel voor een dag.’
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
‘Ik hou van je,’ zei Julia en
ze sloeg haar armen om hem heen. Haar aanraking was als een lentewind; zwoel en
zacht en vervuld van warmte en liefde. Meric beantwoordde haar omhelzing en trok
haar dicht tegen zich aan.
‘Ik zal altijd van je houden,’ zei ze en ze keek in zijn groene ogen. ‘En ik zal
je nooit vergeten.’
Meric glimlachte. Hij wilde haar nog niet loslaten, maar hij wist dat het tijd
was. Tijd om terug te gaan. Geen enkele demon kon de onderwereld ontvluchten
zonder uiteindelijk te worden opgespoord. Ze zouden komen om hem te halen;
Cerberus’ soldaten, en het laatste dat hij wilde was dat Julia daar getuige van
was.
‘Zal ik je ooit nog eens weerzien?’ vroeg ze toen.
‘Ik weet het niet,’ fluisterde Meric. ‘Ik zal alles doen wat in mijn macht ligt
om terug te komen.’
Ze drukte haar gezicht in zijn hals en hij streek met zijn vingertoppen door
haar lange haren. Hij zou zijn best doen. Een dag zonder haar was erger dan de
eeuwigheid die hij al had doorgebracht in de hel.
Hij hield Julia nog een hele tijd vast. Tot de zon onderging en uiteindelijk de
eerste donder klonk, als vooraankondiging van wat komen ging; het leger van de
Heer der Duisternis was in aantocht.
‘Het is tijd,’ zei Meric. Hij maakte zich los uit de omhelzing, met pijn in zijn
hart. Julia knikte. Ze glimlachte door haar tranen heen en kuste hem nog
eenmaal.
‘Ga,’ zei Meric gehaast. Hij voelde de grond trillen onder zijn voeten. Terwijl
hij haar nakeek en langzaam zag hoe haar silhouet vervaagde en verdween, maakte
hij de belofte. Hij zou alles doen om haar nog eens te zien. Alles.