Het is koud in de kamer. IJzige wind giert langs
mijn wangen en rukt aan mijn lange haren. Ik heb mijn handen tegen mijn oren
gelegd in een poging het geschreeuw en geraas buiten te sluiten, maar het
sijpelt alsnog mijn hoofd binnen. Ik heb geen hoorvermogen nodig om Christopher
te horen schreeuwen. Via mijn gedachten dringt zijn stem door. Cate!
Ik heb mijn ogen gesloten, maar open ze als ik mijn broer mijn naam hoor roepen.
Hij zit vlakbij me; op zijn knieën, steunend op zijn handen. Hij is uitgeput.
Zijn lichaam trilt en hij zweet hevig en ik ril van afschuw als ik besef dat hij
niet meer kan vechten. Cate, de voordeur.
Ik kijk naar mijn broer en knik. Het is niet zichtbaar, maar dat is ook niet
nodig. Christopher heeft al lang begrepen dat ik zal doen wat hij vraagt. Kijk niet naar hem,
zegt mijn broer als ik overeind kom en me schrap zet. Ik weet dat ik maar een
luttele seconde heb om me om te draaien en naar de voordeur te rennen. De deur
die meer dan vijftien meter van me verwijderd is, aan de overkant van de
woonkamer. Er zijn obstakels; glas, omgevallen stoelen, versplinterde meubels.
Ik moet snel zijn. In mijn hoofd zoek ik de beste route naar de voordeur, de
route met de minste hindernissen zodat er maar een heel kleine kans is dat ik
zal vallen. Kijk niet naar hem,
zegt Christopher weer. Zijn stem klinkt zo kalm in mijn hoofd. Veel kalmer dan
hij er in werkelijkheid uitziet. Ik weet dat hij aan het einde van zijn Latijn
is. Zijn kracht is sterk afgenomen en zijn vijand weet dat ook. Kijk niet naar hem en let niet op mij!
Christophers stem wordt dreigender. Ik zet me schrap. Ik wend me af van mijn
broer en van het schepsel tegenover hem. Nu!
Ik draai me om en sprint weg. Ik zet
me af en spring over de eetkamerstoel; de eerste hindernis op mijn weg naar de
voordeur. De wind draait in het midden van de woonkamer, als een blad aan de
boom, en overvalt me nu recht van voren. Ik hef mijn armen voor mijn gezicht als
enige bescherming. Ik weet dat ik de aandacht heb getrokken van de demon. Hij
heeft zich verplaatst en komt achter me aan. Ik heb geen tijd meer. Rennen!
Ik ontwijk een stuk hout dat ooit de
zijkant van een boekenkast was en dreigend op me af komt. Het gevaarte mist me
op een haar na. Nog een meter, dan ben ik bij de voordeur. Cate! Nu!
Ik spring opnieuw; de laatste meter;
onze laatste kans.
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Mijn naam is Caitlin Brennan. Ik ben anders dan andere mensen. Ik kan veel
verhalen vertellen over mijn leven, maar niemand zal me echt geloven en iedereen
zal me afschilderen als een dwaze jonge vrouw met een grote fantasie. Ik kan
niet uitleggen hoe mijn wereld in elkaar zit. Mijn broer zou een betere poging
kunnen doen. Hij heeft meer gezien dan ik. Hij heeft geleerd en zijn hele leven
lang gevochten. Vergeleken met mijn vreemde leven, is het zijne bijna
Hollywoodwaardig. Maar weinig mensen weten werkelijk wie hij is en nog minder
zullen daadwerkelijk ooit kunnen bevatten wat hij meemaakt. Ik ben de enige die
het echt begrijpt. En de enige die hem kan helpen.
Christopher had lang van tevoren al contact met me gezocht. Omdat we anders zijn
en als broer en zus een speciale band hebben, deed hij dat niet met een simpel
telefoontje. Hij deed het op zijn manier - op onze manier - zoals we als
kinderen altijd communiceerden. Terwijl onze ouders praatten over het werk van
mijn vader, of over andere onzinnige dingen zoals het maïsveld van de buren dat
veel groter was dan het onze, spraken Chris en ik via onze gedachten met elkaar.
Het was ons kleine geheimpje.
Daarom schrok ik ook niet toen ik tijdens mijn lunchpauze plotseling een stem in
mijn hoofd hoorde. Het was mijn broer. Ook al hadden we meer dan drie jaar niet
meer met elkaar gesproken, ik herkende hem direct. En ik was niet bang. Ik wist
waarom hij contact zocht. Ik heb hem gevonden, Cate,
had hij gezegd. En ik heb
je hulp nodig. Jij bent de enige persoon die sterk genoeg is om me te steunen.
Daarom besloot ik te gaan. Ik was het
verplicht. Aan mijn broer, aan mijzelf, maar meer nog aan onze ouders. Chris
voelde zich elke dag schuldig, hij zag het als zijn fout dat onze ouders waren
gedood. Ik heb geprobeerd die gevoelens uit zijn hoofd te bannen, maar het hoofd
van mijn broer is ontoegankelijk. Zelfs voor mij…
Op de vooravond van de zwaarste nacht uit ons
leven, parkeerde ik mijn oude Volvo vooraan op de oprit, zo dicht mogelijk bij
de veranda. Om de een of andere reden ben ik altijd geruster als ik weet dat ik
bij onraad direct vanuit het huis mijn auto in kan duiken.
Het was vreemd om terug te zijn op die plek. Terwijl ik uit de auto stapte, werd
ik direct overvallen door herinneringen. Ergens verwachtte ik dat mijn vader en
moeder lachend de keuken uit zouden komen rennen om me te verwelkomen. Mijn
moeder met een schort vol meel en met stukjes deeg in haar haren, omdat ze bezig
is met een welkomsttaart. Mijn vader met die scheve glimlach en twijfelachtige
blik in zijn ogen, omdat hij vindt dat ik vaker langs moet komen en
tegelijkertijd dolgelukkig is om me te zien.
Maar er kwam niemand de keuken uitrennen. De mensen die ik in gedachten naar me
toe zag komen, waren al jaren dood. De keukendeur was verdwenen achter oude
planken die tegen het kozijn waren gespijkerd en alle ramen die uitzicht boden
op de achtertuin en veranda waren dichtgetimmerd met gelijksoortig houtafval.
Als de auto van mijn broer niet in de garage had gestaan, had ik durven zweren
dat er niemand was. Dat het huis leeg stond en onbewoonbaar was verklaard.
‘Ik ben blij dat je er bent,’ zei iemand achter me. Ik draaide me om naar mijn
broer. Ik had al gemerkt dat hij daar zat; onder de appelboom waar mijn schommel
nog altijd aan de middelste tak was bevestigd. Ik had hem van kilometers afstand
al gevoeld.
Ik liep naar hem toe en ging naast hem in het dorre gras zitten.
‘Gebeurt dit echt?’ vroeg ik na een tijdje. Ik keek naar Christopher. Hij
glimlachte op die behoedzame manier, zoals ik van hem gewend was. Terwijl ik
wachtte op zijn antwoord, bestudeerde ik het gezicht dat ik elke dag voor me
zag, in mijn dromen en als ik wakker was. Hij was nauwelijks veranderd in de
jaren dat ik hem niet had gezien. Er waren slechts kleine dingen, zoals zijn
haar dat lichter was geworden, en het litteken bij zijn wenkbrauw. Behalve dat,
was het nog altijd zoals ik me mijn broer herinnerde; eenzaam en terughoudend.
‘Ik ben bang van wel,’ antwoordde hij uiteindelijk. Hij keek me aan met lege,
grijze ogen. Ik vroeg me af wanneer het laatste beetje hoop eruit was verdwenen.
Zijn gezicht was grauw en getekend door de geheimen die hij met zich meedroeg.
‘Hoe lang weet je al dat hij er is?’ vroeg ik hem.
‘Een tijdje,’ antwoordde hij. ‘Maar ik had tijd nodig om ons voor te bereiden.’
Hij stond op en stak zijn hand naar me uit om me overeind te helpen. ‘We hebben
niet veel tijd meer. Het wordt snel donker. We moeten alle voorbereidingen
hebben getroffen voor de maan op komt.’
Het kostte bijna een uur om de voorbereidingen
te treffen waar Christopher op doelde. Het eerste half uur zaten we samen op de
grond, onze vingers verstrengeld, terwijl onze geesten samenvloeiden. Het was
lang geleden dat we zo dicht bij elkaar waren geweest en ik schrok van de nieuwe
krachten die mijn broer nu bezat. Hij was vele malen sterker dan zeven jaar
geleden.
Nadertijd maakte ik de woonkamer vrij schoof de bank en stoelen opzij.
Christopher tekende met wit krijt een groot pentagram en een cirkel op de
hardhouten vloer. Terwijl hij bezig was, mompelde hij woorden in een oude taal
die ik nooit heb geleerd. Maar ik wist waar ze voor dienden. De magische energie
die werd opgeroepen nestelde zich in mijn hoofd en hart en maakte me kalm.
‘Ben je bang?’ vroeg Christopher toen ik alle kaarsen aan het gestoken en me bij
hem voegde in de cirkel. Ik knikte, glimlachte voorzichtig. ‘Ik ook,’ zei hij.
Hij wendde zich weer tot de stenen kom die voor hem stond. De kom was gevuld met
verschillende kruiden die ik niet kende.
‘Het zal werken,’ zei Christopher terwijl hij mijn gedachten las.
‘Ik weet dat het zal werken,’ zei ik zacht. ‘Ik vraag me alleen af of we sterk
genoeg zijn.’
Christopher glimlachte weer. Dit keer pakte hij mijn hand. Het leek de kalmte
die ik al voelde te versterken. Niemand kon me zo op mijn gemak stellen als mijn
broer. Zelfs nu we op het punt stonden een demon op te roepen en de
allesbeslissende nacht van ons leven tegemoet te gaan, was hij in staat mijn
hoofd leeg te maken van alle gedachten.
Christopher was altijd anders geweest. Net als ik. Onze ouders hadden nooit
begrepen wat hun kinderen bezighield, of echt geloofd in onze gave en wie kon
hen dat kwalijk nemen? Geen enkele ouder zou ooit kunnen of willen geloven dat
zijn eigen kinderen demonen konden zien.
‘Weet je wat demonen zijn?’ had Christopher me gevraagd toen ik zes was.
‘Monsters,’ had ik geantwoord. Dat waren ze destijds immers in mijn ogen. Ik zag
ze overal om me heen. Sommige maakten me bang, anderen leken bang voor mij.
Christopher was nooit bang. Hij sprak tegen ze en dan verdwenen ze. Ik heb nooit
geleerd om ze te verjagen. Zelfs niet toen ik ouder werd en wellicht in staat
was om te leren wat mijn grote broer al jaren deed. Ik heb nooit die roeping
gehad die hij al direct voelde. Christopher was veel sterker dan ik. Hij bezat
de kracht om mensen te beschermen, zoals hij mij altijd had beschermd. Alleen
vannacht zou ik aan zijn zijde vechten. Vannacht zou ik Christopher helpen, want
de demon die wij vannacht zouden treffen had onze ouders vermoord.
‘Denk niet meer aan het verleden,’ zei Christopher. Hij kneep in mijn hand en
wendde zich toen weer tot de kom voor hem op de grond. Hij begon woorden te
prevelen in Latijn. Zijn hand maakte bewegingen boven de kom, telkens weer, tot
de kruiden begonnen te smeulen. Het volgende moment schoot er een steekvlam
omhoog, in de richting van het plafond. Ik slaakte een kreet van schrik.
Christopher glimlachte. ‘Het is zover,’ zei hij en met zijn woorden stak er een
koude wind op die snel aan kracht won.
‘Wat je ook doet,’ zei Christopher, ‘kijk niet in zijn ogen en verlaat onder
geen beding de cirkel. Niet voor ik het je zeg.’
Ik knikte. ‘Goed.’ Ik ging weer op mijn knieën zitten, met mijn rug naar de
deuropening. Christopher nam eenzelfde houding aan, in het midden van de cirkel.
De kruiden brandden nog steeds en vulden de kamer met een onaangename geur. Ik
sloot mijn ogen. In mijn hoofd hoorde ik Christophers hartslag die zich mengde
met de mijne, als een muziekstuk. De gure wind draaide als een cirkel om ons
heen en deed de vlammen van de kaarsen flakkeren.
Christopher begon opnieuw woorden te prevelen. Eerst zacht, maar zijn stem
verhief zich langzaam. Terwijl zijn woorden krachtiger werden, begon de wind
harder te rukken aan onze haren en kleding. Het geraas werd luider en probeerde
Christopher te overstemmen. Ik concentreerde me op het middelpunt van de cirkel
en het pentagram, probeerde me niet af te laten lijden door de dingen die om me
heen gebeurden.
Ik onderdrukte een gil toen het geraas van de wind een bijna oorverdovend
gedreun produceerde. De kaarsen vlogen uit en even was het aardedonker in de
kamer. Toen verschenen er twee gloeiende punten aan de rand van de cirkel, op
twee meter hoogte boven de grond en een intense dreiging doortrok mijn lichaam.
Ik kende die dreiging. Zelfs na zeven jaar voelde ik het door mijn hoofd
cirkelen en deed het mijn spieren bevriezen.
Hij was er.
De kaarsen vlogen aan en plotseling baadde de
woonkamer in geel licht. De vlammen wierpen schaduwen op de muren en op
Christophers gezicht dat vertrokken was van inspanning en concentratie. Voor
hem, aan de rand van de krijtcirkel, stond de demon dat ik me nog zo goed
herinnerde. Een grote silhouet van zwarte rook met twee gloeiende ogen die
dreigend door de kamer schoten. Zijn aanzicht overspoelde mijn hoofd met
gruwelijke beelden. Herinneringen aan gebeurtenissen die ik zeven lange jaren
had verdrongen en verbannen uit mijn leven.
Christopher was opgestaan. De razende wind trok aan hem en probeerde hem omver
te blazen. Ik sloot mijn ogen. Ik concentreerde me volledig op Christopher. Ik
voelde de kracht waarmee hij zich tegen de demon verzette en probeerde uit alle
macht om hem te steunen. De geestelijke verbondenheid met mijn broer die er
altijd was geweest, leek een nieuwe vorm aan te nemen nu hij me toeliet tot zijn
geest en ik huiverde toen ik zijn ware kracht voelde. Het leek me te branden,
als een verzengende hitte leek het zich uit te strekken in mijn hoofd. Ik wilde
gillen en me terugtrekken, maar ik wist dat ik sterk moest zijn. Dit was waarom
hij me had gevraagd te komen. Niet alleen zodat ik deelgenoot kon zijn van zijn
gevecht tegen de demon die onze ouders had gedood, maar omdat ik de enige was
die hem werkelijk kon helpen.
Christopher begon opnieuw woorden te schreeuwen. Hoewel ik ze niet verstond door
het geraas van de wind en het geluid van rondvliegende meubels, voelde ik de
kracht van zijn woorden. Dreigend, gebiedend en doordrongen van woede.
Christopher hief zijn handen voor zich. Een knetterend blauw licht verscheen in
de palm van zijn hand en vormde zich tot een bol van elektriciteit. De energie
laadde zich, gebruikte een deel van Christophers kracht om zich te sterken en
boorde zich toen met een immense vaart in de borst van de demon. Het monster
wankelde achteruit, maar herstelde zich.
De ruiten van de erker explodeerden en ik gilde. Ik hief mijn handen voor mijn
gezicht om me te beschermen tegen het rondvliegende glas. Christopher werd
geraakt; een scherf boorde zich in zijn wang, maar hij verloor zijn aandacht
geen moment. Cate!
Direct concentreerde ik me weer,
woest op mezelf omdat ik de band deed verzwakken. Ik wist dat de cirkel stand
moest houden. Alleen binnen de cirkel waren we veilig.
Maar de demon leek nauwelijks te verzwakken. Hij ontweek Christophers aanvallen
met gemak. Blauwe ballen van energie troffen de zwarte massa zonder effect en er
sloop gevoel van angst mijn borstkas binnen. Ik verzette me er tegen. Ik gaf
Christopher alles wat ik had, alle kracht die er nog restte. Het verzwakte me en
een brandende pijn nestelde zich in mijn hoofd. Ik zou dit niet lang vol kunnen
houden.
Christopher wankelde toen de wind met oorverdovend gedreun op hem inbeukte. De
kracht er van bracht hem ten val en hij zeeg op zijn knieën.
Chris!
Ik schreeuwde zijn naam in mijn hoofd. Woedend, bang, misselijk van de pijn die
hij ervoer maar ik net zo goed voelde.
Ga door, gebood hij me. Hij probeerde
opnieuw op te staan, maar hij was te vermoeid. Steunend op zijn handen ging hij
door met het ritueel. Hij schreeuwde, zijn woorden werden overstemd door een
nieuw geluid dat door de wind heen brak. Een oorverdovend gekrijs dat door merg
en been ging. Ik huiverde toen ik besefte wat het was. De demon lachte.
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Ik voel de deurknop in mijn hand en ruk. Het
hout kraakt en verzet zich, maar is niet bestand tegen mijn angst en woede. Ik
smijt de deur open en vlieg de veranda op. Mijn hart bonst in mijn keel en mijn
mond is kurkdroog. Struikelend ren ik de trap af. Drie meter verder draai ik me
om en gil.
De demon staat voor me, dreigend en groots. Zijn brandende ogen boren zich in de
mijne en verlammen me volledig. Ik wil opnieuw gillen, maar er komt geen enkel
geluid meer over mijn lippen. Twee ijskoude handen sluiten zich om mijn keel. Ze
voelen als wind en hagel; snijdend en bijtend. Zijn overheersende stank beneemt
me de adem, een mengeling van zwavel en rotting. Cate!
Ik heb maar een fractie van een
seconde om te reageren. Met alle kracht die ik bezit ruk ik me los uit de
dreigende verlamming en zak door mijn knieën. Een ijzingwekkend gekrijs
verscheurt de stilte die buiten heerst. Heel even denk ik dat het mijn eigen
gegil is, tot ik besef dat het de demon is die krijst van pijn. Een blauw licht
heeft zich in zijn lichaam genesteld en schijnt van binnenuit door de massa van
zijn lijf.
Ik begin te kruipen. Struikelend, op handen en voeten probeer ik een afstand te
creëren tussen mij en het monster. Er klinkt een nieuwe schreeuw. Dan is het
stil.
Als ik eindelijk mijn ogen durf te openen is de demon verdwenen. Buiten is het
helder; het licht van de volle maand laat het huis en de tuin baden in een
zilveren licht. Christopher ligt op de veranda. Ik schud het laatste beetje
angst van me af en begin te rennen. Ik struikel over de treden, hijs me overeind
en ren verder. Dan laat ik me op mijn knieën vallen.
Christophers gezicht is lijkbleek. Zijn lichaam is overdekt met glassplinters en
de wonden bloeden hevig. Hij ademt nog, maar ik voel dat hij te moe is om zich
te bewegen.
‘Chris?’ Ik pak zijn hand. De palm is gezwollen en verbrand.
Dan opent hij voorzichtig zijn ogen. Ze zijn niet langer leeg en afstandelijk,
maar gevuld met verdriet en opluchting. Hij glimlacht gepijnigd. ‘Is het
gelukt?’
Ik lach en knik. De eerste tranen ontsnappen over mijn wangen. Het is gelukt.