Het was doodstil in de keuken. Lilly zat aan de
keukentafel, met een mok vol koffie; onaangeroerd en koud. Zij en Connor zaten
al een hele tijd daar. Zwijgend, voor zich uitstarend.
Er was zoveel gebeurd in die keuken, alles was zo doordrenkt van herinneringen
dat Connor er van huiverde. Ze hadden er zoveel avonden gedeeld; lachend,
pratend, met vrienden, alleen. Maar zelfs al die herinneringen konden hem niet
zo van streek maken als Lilly’s zwijgen.
‘Het spijt me, liefie,’ zei hij zacht. Het liefst wilde hij haar aanraken, haar
kussen, haar zeggen dat alles wel weer goed zou komen. Maar hij durfde niet. Ze
begreep vast niet dat hij net zo bang was als zij. Dat hij ook het liefst wilde
huilen en schreeuwen omdat het zoveel pijn deed. Maar als hij toegaf aan het
verdriet, als hij toegaf en zijn zwakte toonde, zou dat Lilly alleen maar meer
van slag maken. Ze had zijn kracht nu nodig. Dat was hij haar verplicht; als
vriend, als echtenoot, als vader van hun kind.
Lilly verplaatste haar blik; van de koelkastdeur naar het raam. Connor wist dat
ze niets zag van de lentezon, of van de merels in de kersenboom. Alles ging aan
haar voorbij, net zoals hij.
‘Lilliana, praat alsjeblieft tegen me,’ zei Connor na een tijdje. Hij keek haar
aan, met tranen in zijn ogen. Hij liep naar haar toe en ging voor haar staan.
Hij schrok van de blik in haar ogen. Zo’n intens verdriet. Het beet zich in hem
vast en hij huiverde.
‘Lilly, alsjeblieft.’
Hij ging in haar gezichtsveld staan - blokkeerde haar zicht op de kersenboom -
maar ze leek dwars door hem heen te kijken. Toen begon Lilly te huilen. Ze
huilde zonder geluid; geen snik ontsnapte over haar lippen, maar de dikke tranen
rolden over haar zachte wangen. Connor huilde nu ook. Hij wilde niet – hij
vervloekte zichzelf omdat hij zijn belofte niet kon houden, maar hij kon het
niet meer stoppen.
Hij liep naar zijn vrouw toe en sloeg zijn arm om haar schouder. Ze huilden
samen lange tijd. Lilly beantwoordde geen van zijn omhelzingen, geen van zijn
kussen. Maar dat merkte hij nauwelijks; hij ging teveel op in zijn eigen
verdriet. Verdriet om wat er was gebeurd, om wat hij had gedaan, verdriet om
Lilly’s ijskoude houding nu hij terug was. Als ze hem nou gewoon zou zeggen dat
het zijn schuld was. Ook al schreeuwde ze tegen hem en zou ze hem alles
verwijten, zelfs dan zou hij opgeluchter zijn dan nu. Sinds hij thuis was
gekomen had ze hem geen blik gegund. Ze had geen woord tegen hem gezegd, behalve
gisteren.
‘Waarom, Connor?’ had ze gevraagd, met een van pijn verwrongen stem.
Hij had niet geantwoord. Wat moest hij antwoorden? Hij had al honderden keren
gezegd dat het hem speet. Dat hij bijna stierf van wroeging en verdriet. Hij
kende zijn fouten, hij wist dat hij Ben nooit mee had moeten nemen. Hij had Ben
thuis in zijn bedje moeten laten liggen, hij had zijn moeder moeten bellen om te
vragen of ze op haar kleinzoon wilde passen zolang hij weg was. Maar dat had hij
niet gedaan. Hij had geen enkele moeite gedaan om een andere oplossing te vinden
toen zijn chef belde en hem verzocht zo snel mogelijk naar het bureau te komen.
Een politieagent heeft immers nooit een vrije dag.
Hij had Ben uit bed gehaald, hem aangekleed en in het kinderzitje achter in de
auto gezet. Het kleine jochie had hem slaperig aangekeken. Hij kon nog niet
praten, maar Connor wist wat hij had willen zeggen. Nu hij terugdacht aan die
allesbeslissende avond, wist hij exact wat Ben zou hebben gezegd. Je moet me niet meenemen, pappa. Het regent te hard.
Er ontsnapte een zucht aan zijn lippen. Zijn keel deed pijn van alle ingehouden
tranen.
‘Verdomme, Lilly, zeg nou iets,’ zei hij.
Lilly stond ze. Zijn armen lieten haar los omdat ze wegliep, niet omdat hij dat
wilde.
‘Lilly, alsjeblieft.’
Zijn stem haperde, maar dit keer van opkomende woede. Hij liep achter haar aan,
weigerend haar nog langer de tijd te geven. Ben was dood. Het was zijn schuld.
Hij had zijn eigen kind vermoord toen hij Ben had meegenomen tijdens die
stormachtige avond. Hij was de macht over het stuur verloren en had daarmee
alles weggevaagd; al het geluk, alle blijdschap. Alles dat ze hadden opgebouwd
en liefhadden, had hij verwoest in een enkele seconde.
Hij wist dat het zijn schuld was. En als zijn vrouw er net zo over dacht als hij,
dan werd het tijd dat ze het hem vertelde. Zodat hij wist waar hij stond. Hij
wilde niet dat ze hem nog langer strafte door te zwijgen en hem te negeren. Hij
kon niet verder als ze niet met hem praatte.
Lilly liep door de gang, naar de trap en Connor wist precies waar ze heenging;
Bens kamertje. Daar verstopte ze zich altijd als hij met haar wilde praten, en
hij volgde haar iedere keer. Dan zag hij hoe ze wegkroop in de schommelstoel,
met het blauwe, pluchen konijn tegen haar borst gedrukt, zoals nu. Ze wiegde
zacht heen en weer terwijl ze huilde. Heel even zag Connor – net als zij – hoe
Ben over de grond kroop op zijn lachwekkende manier, zich voortbewegend over het
parket, brabbelend in zijn eigen taaltje en hij kon een wankele glimlach niet
onderdrukken.
‘Ik mis je,’ zei Lilly plotseling zacht.
Connor keek haar aan, met tranen in zijn ogen. ‘Ik mis hem ook,’ zei hij. Hij
liep niet naar haar toe, hij bleef in de deuropening staan, leunend tegen het
kozijn, ook al wilde hij niets liever dan haar omhelzen. Hij moest haar de tijd
geven.
‘Het spijt me, Lilly,’ zei hij. ‘Het spijt me dat ik je alles heb afgenomen. Dat
ik Ben niet heb beschermd zoals een vader hoort te doen.’
Lilly glimlachte gepijnigd, vlak voor ze weer begon te huilen. ‘Ik mis je zo
ontzettend, Connor.’ Praat dan met me, dacht hij wanhopig. Als je me mist, zeg dan iets, in godsnaam!
Maar ze zei niets meer. Ze legde het pluchen konijn op haar schoot en reikte
naar het fotolijstje op de commode. Een trotse vader met zijn kleine zoon. Die
foto was genomen toen Ben een uur oud was. Dat leek nog maar zo kort geleden.
‘Ik mis jullie allebei,’ fluisterde Lilly.
Connor voelde een vreemde kriebeling in zijn maag, die op kwam zetten toen de
woorden zijn hoofd vulden. Een intense tinteling die door zijn lichaam trok en
hij worstelde er mee, net als met haar woorden. Hij liep naar haar toe en
knielde voor haar neer.
‘Je weet dat ik bij je blijf, Lilly,’ zei hij zacht. ‘Ik ga nooit meer weg.’
Lilly liet haar vingers over de foto glijden.
Diep van binnen woede een harde strijd om controle te krijgen over de paniek en
huilbuien. Ze was moe van het verdriet, van het alsmaar vechten om het hoofd
boven water te houden. De pijn had haar lange tijd gevoelloos gemaakt, maar leek
nu langzaam zijn verdovende werking te verliezen.
‘Ik mis jullie allebei,’ fluisterde ze.
Ze zette het fotolijstje terug. Opnieuw voelde ze die vreemde, kille wind langs
haar lichaam strijken. Zoals altijd deed het haar opschrikken.
Ze had die kilte vaker gevoeld; in Bens kamertje, in de slaapkamer, in de keuken.
Het leek haar te achtervolgen, alsof het een deel van haar was. Sinds Connors
begrafenis had het haar vergezeld. En ondanks dat ze wist dat Connor niet meer
leefde, dacht ze heel soms, verborgen en onzichtbaar, zijn aanwezigheid te
voelen. Alsof hij nog heel dicht bij haar was.