.:Mijn moordenaar:

Ik merkte mijn moordenaar pas op toen het mes tussen mijn ribben verdween en het beeld voor mijn ogen werd doorbroken door witte lichtflitsen van pijn. Ik beloofde mezelf dat het niet lang zou duren, dat het binnen enkele seconden voorbij zou zijn. Maar ik kon die belofte niet waarmaken. Dat wist ik op het moment dat ik haar aanwezigheid voelde, achter me in de duisternis, en haar verscheurende haat mijn lichaam doortrok, tot diep in mijn ziel.
‘Nee, alsjeblieft,’ smeekte ik. Mijn stem trilde.
Ik wist dat ze zou komen. Ze had haar komst al lang geleden kenbaar gemaakt. Woorden geschreven in bloed, op de witte muren van mijn kamer, op de spiegels in het badhuis. Telkens dezelfde woorden; boodschappen die niemand kon zien, behalve ik. Ze zou komen en ik kon niet aan haar ontsnappen.
Ze rukte het mes uit mijn zij en ik schreeuwde van pijn. Ik zakte op mijn knieën toen in een luttele seconde alle kracht uit mijn ledematen verdween. Ik voelde het bloed opwellen uit de wond en een spoor trekken; steeds sneller druppelend, langs mijn zij, over mijn heup op de vloer. Ik kokhalsde van pijn en van angst.

Het is niet erg om te sterven
, fluisterde ze in mijn hoofd.
Maar ik was doodsbang.
‘Ik wil niet sterven,’ fluisterde ik. Zweetdruppels persten zich door de poriën van mijn voorhoofd.

Wees niet bang
, fluisterde ze met die zangerige stem. Ze klonk onwerkelijk; niet van deze wereld. De pijn duurt maar even. Daarna zul je je er niets meer van herinneren.
‘Echt?’ vroeg ik met trillende stem.

Nee
, zei ze en ze glimlachte. Je zult je elke seconde herinneren. Elke pijnscheut, elke kreun, elke smeekbede. Alles dat er gebeurde blijft zich herhalen. Steeds weer.
Ik huiverde. Ik merkte dat er tranen in mijn ooghoeken verschenen en ik begon te huilen. Verkrampt viel ik op de grond terwijl het leven uit me sijpelde in een warme stroom bloed die een plas begon te vormen op de wit betegelde vloer.
‘Alsjeblieft,’ smeekte ik. ‘Het spijt me.’
Toen ze opnieuw sprak was ze vlakbij me. Ze had zich verplaatst in een onmerkbaar moment en ik schrok toen haar stemgeluid zo dichtbij klonk. Mijn moordenaar knielde naast me neer. Ik kon haar niet goed zien, maar ik wist dat ze er was. Ik voelde haar aanwezigheid tot diep in me doordringen. Ze boog over me heen, ik kon haar lange haren voelen die over mijn blote borstkas streken, als een gure wind. Ik rook haar geur; zoet en verleidelijk. Dromerig, als een nevelig slaapmiddel.

Spijt kan je niet helpen. Spijt was verleden tijd op het moment dat je je doodvonnis tekende.

‘Ik wil niet dood,’ jammerde ik en het was waar. Ik was bang om te sterven. Ik was zo ongelooflijk bang dat ik nog nauwelijks adem kon halen. Ik hoorde het piepen van mijn eigen ademhaling. Mijn trager wordende hartslag in mijn hoofd, de talmende stroming van mijn bloed, ruisend in mijn oor. Ik trilde hevig en zweette over mijn hele lichaam. Ik voelde de dood naderen en kon niets anders doen dan smeken. Smeken om vergiffenis, smeken tot ze me gratie zou verlenen. Maar ik wist al lang dat ze me niet zou sparen.
‘Mijn vrouw... Ze is zwanger. Ze heeft me nodig.’

Je vrouw zal gelukkig zijn
, fluisterde ze. De baby zal gelukkig zijn.
‘Ik wil mijn kindje zien. Ik wil hem een keer vasthouden voor -’

Ik wilde mijn kindje vasthouden. Een keer maar.

Ik slaakte een kreet van pijn toen ze haar hand op mijn borstkas drukte. Haar handpalm was ijskoud en leek mijn hartslag te bevriezen. Ergens moest ze het mes nog hebben, maar ik begreep nu dat het mes alleen maar een materieel wapen was. Ze kende veel manieren om me te vermoorden. Zoveel manieren...

Zul je smeken?
vroeg mijn moordenaar. Zul je net zo smeken als ik? Zul je zo hard schreeuwen dat je stem verbrijzelt en je longen scheuren? Zo hard dat je doof wordt en je lichaam gevoelloos achterblijft? Tot alleen nog je geest gevangen zit in een karkas dat langzaam zal verdwijnen, tot niemand meer weet wie je was, tot niemand meer weet dat je ooit hebt bestaan?
Ik schudde mijn hoofd om haar woorden buiten te sluiten. Maar ze sprak niet met haar stem. Haar gedachten drongen mijn hoofd binnen en de klanken galmden na.
Ik had dit afgeroepen. Het was al zo lang geleden dat ik het was vergeten, maar zij had het zich herinnerd. En toen de laatste herinnering verdween, was ze gekomen. Mijn moordenaar. Een geest. De engel des doods die ik zelf had geschapen, vier jaar geleden.

Je hebt me vermoord
, zei ze. Het was geen verwijt, het was geen beschuldiging. Het was niet meer dan een zin die me naar adem deed happen.
‘Ja,’ hijgde ik. ‘Het spijt me. Ik was dronken... Ik wilde je niet...’
De druk van mijn borstkas verdween. Ze verplaatste de palm van haar hand naar mijn zij, naar de diepe wond die een deel van mijn lichaam inmiddels al had verdoofd.

Ik zal je helpen herinneren
, zei ze en haar stem klonk nog indringender. Elke dag zul je denken aan wat je met me hebt gedaan. Moordenaar.
Toen schreeuwde ik. Een razende pijn schoot als een lavastroom mijn lichaam binnen. Ik kronkelde om te ontkomen aan de martelende pijn, maar het leek zich door mijn aderen te verplaatsen tot mijn hele lichaam verkrampte en ik schreeuwde. Ik schreeuwde tot mijn longen brandden en mijn stem brak. Ik schreeuwde tot ik niets anders meer hoorde dan mijn eigen hartverscheurende smeekbeden. Smeekbeden waaraan ze geen gehoor gaf.

‘Ze komt,’ fluisterde ik. ‘Ze komt!’
Ze begrepen het niet. Ze keken me alleen maar aan en draaiden toen hun hoofden. Ik zag die blikken wel. Blikken die me als krankzinnig bestempelden. Ze geloofden me niet. Maar ik wist beter. Het zou niet lang meer duren en dan zou ze weer verschijnen. Mijn moordenaar.
‘Ze komt,’ zei ik weer tegen de man in de witte jas die het dichtst bij me stond. Ik rukte aan de gespen om mijn polsen die me aan het bed vastketenden. Het leer had kneuzingen toegebracht aan de huid en het deed pijn, maar ik gaf niet op. Ik moest ontsnappen, het was mijn laatste kans.
‘Doe maar rustig,’ zei mijn arts, zoals hij altijd deed, op die onnatuurlijke, geruststellende toon.
‘Ze komt! Ze komt om me te vermoorden! Net zoals ik haar heb vermoord.’
‘Kalm maar, Jimmy.’ Mijn arts draaide zich om naar een van de anderen en knikte.
‘Nee!’ Ik schudde heftig mijn hoofd. Ik zag de man niet eens die naar me toeliep, ik zag alleen maar die injectienaald, oplichtend in het schemerige licht. ‘Nee. Alsjeblieft. Ik wil niet... Ze komt er aan!’
Ik begon opnieuw aan de gespen te trekken. Ik moest mezelf bevrijden, anders was ik verloren. Als een razende begon ik te rukken, schreeuwend, smekend. Ik moest ontsnappen.
Ik voelde het prikje van de naald nauwelijks, maar de vloeistof die werd ingespoten was als vloeibaar vuur. Het verspreidde zich razendsnel, net zo snel als zij de herinneringen had verspreid in mijn lichaam.
Mijn arts bewoog naar de deur. Hij wenkte de twee anderen en ze lieten me alleen.
‘Help me!’ Ik gilde zo hard als ik kon. Iemand moest me horen, er moest toch iemand zijn die me kon redden? ‘Alsjeblieft, help me!’
Maar ze kwamen niet terug. Ik hijgde van inspanning en het zweet gutste langs mijn slapen en hals. Mijn ogen flitsten door de kamer terwijl mijn zicht waziger werd. Ik voelde al hoe ze in aantocht was; een prikkelende duisternis die langzaam neerdaalde en het licht dimde.
Ik probeerde wanhopig de witte muur aan mijn linkerzijde te vermijden. Maar mijn blik werd getrokken. Hoe hard ik ook vocht, zelfs als ik mijn ogen sloot zag ik de bloederige letters.
Moordenaar.

20 juli 2007

 
 

Syrdin.com

  • Home

  • About

  • Portfolio

  • Terms of Use

  • F.A.Q.

 

Words

  • Poems

  • Short Tales

  • Stories

 

Design

  • Lay-outs

  • Textures

  • Brushes

  • Wallpapers

  • Icons

  • Masks

 

Art

  • Photos

  • Graphics

 

External

  • Link Partners

  • Resources

 
.: Syrdin.com  - 2008 / 2009  - All Rights Reserved :.