Enna zat op een bankje in het
park. Ze keek naar de spelende kinderen op het veld en genoot van de zachte wind
die met haar lange haren speelde. Iedere ochtend vertrok ze naar het park en
bracht uren door met het observeren van mensen. Daar was ze gelukkig en vrij en
diep van binnen voelde ze een steek van verdriet omdat dit de laatste keer was.
‘Hallo Enna.’
Ze herkende de stem van de man die naast haar was verschenen, ook al had ze hem
al zo lang niet meer gehoord. ‘Hallo Belial,’ zei ze.
‘Een jaar en een dag,’ zei Belial. ‘Zoals we hadden afgesproken.’
Enna knikte. Een jaar en een dag. Vrij en gelukkig, zonder Adam. Ze stond op en
liet de wind nog een laatste keer haar huid strelen. Toen haakte ze haar arm in
de zijne en keek Belial aan, recht in de zwarte ogen die haar glimlachend
opnamen. Ze glimlachte ook.
‘Ik ga met je mee,’ zei ze.
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Het was koud
op de stenen vloer. De kilte drong door het leer van haar laarzen, dwars door
haar lange rokken op haar naakte huid. Enna voelde het, maar ze staakte haar
geknielde houding niet. Haar handen waren ijskoud, net als de rest van haar
lichaam; een met de stenen onder haar.
Om haar heen brandden kaarsen die een toneelspel van schaduwen op de muren en
gekleurde ramen lieten zien en de geur van wierook en oudheid vulde haar neus.
Mensen waren gekomen en vertrokken in de uren dat ze geknield voor het altaar
zat. Ze hadden gefluisterd, gezwegen, gebeden, net als zij. Maar God leek hen
eerder gerust te stellen dan haar.
Enna had nooit geloofd in God. Misschien was dat wel de reden dat hij haar niet
wilde aanhoren. Ze was nog nooit eerder in een kerk geweest, tot een maand
geleden. In die nacht was ze het huis uitgerend; vluchtend voor Adams tirannie.
Ze had er een prijs voor moeten betalen, maar toch was ze teruggekomen. De kerk
had haar een gevoel van veiligheid gegeven, iets dat ze in geen jaren had
gevoeld. Niet meer sinds ze Adam had leren kennen.
Ze had daar gezeten; nat van de regen en van de tranen. Ineengedoken, met haar
rug tegen het altaar, haar blik onbewogen gevestigd op de toegangsdeuren omdat
ze voelde – wist – dat haar echtgenoot haar zou komen halen.
Er was een priester naar haar toegekomen. ‘Wil je bidden?’ vroeg hij.
Enna schudde haar hoofd. ‘Ik geloof niet in God,’ zei ze zacht. Hoe kon God
immers bestaan en haar ondertussen in deze hel laten leven? Hoe kon Hij
toekijken terwijl Adam haar martelde met zijn woorden en met zijn handen? Als
God werkelijk bestond, hoe kon hij dan zo wreed zijn?
De priester glimlachte. ‘Maar God gelooft in jou. En als je tegen Hem spreekt,
zal Hij naar je luisteren.’
Zijn woorden hadden Enna vanaf dat moment achtervolgt. Iedere keer als Adam haar
sloeg hoorde ze hem zeggen dat God naar haar zou luisteren als ze maar tegen Hem
zou spreken. Daarom was ze teruggegaan naar de kerk. Elke middag, als Adam naar
zijn werk was vertrokken, liep ze naar het imposante bouwwerk, knielde neer voor
het altaar en praatte tegen God. Ze vertelde Hem over Adam. Over de pijn en de
angst. Ze vertelde God alles dat er gebeurde, maar Hij sprak nooit terug.
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
‘Je bent
hier al te lang, mijn kind,’ hoorde Enna de priester achter zich zeggen. Hij had
haar dikwijls bezorgde blikken toegeworpen, maar Enna had haar ogen gesloten en
het niet gezien. Natuurlijk wist ze dat hij naar haar keek, zoals hij altijd
deed als ze in de kerk was. Soms sprak hij tegen haar, maar Enna had nooit
geantwoord of ook maar een seconde haar ritueel verbroken. Ze was hier om God te
vragen om verlossing, niet om met de priester te praten of hem in vertrouwen te
nemen. De priester kon haar niet meer helpen.
De priester stond weer naast haar, net als een uur geleden. Maar dit keer legde
hij zijn warme hand op haar schouder. ‘Het is tijd om naar huis te gaan.’
Enna opende haar ogen.
De priester glimlachte naar haar. Hij hielp haar overeind. Verkrampt van kou en
pijn liet Enna zich door hem helpen. ‘De Heer luistert altijd naar je, kind,’
zei hij. ‘Ook als je hier niet bent. Hij is altijd bij ons.’
Enna zei niets. Ze perste een glimlach op haar gezicht, maar ze geloofde geen
van zijn woorden. Want al een tijdje bekroop haar het angstige gevoel dat God
haar helemaal niet hoorde. Niemand hoorde haar stille smeekbeden.
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Naast haar
draaide Adam zich om. Enna verroerde zich niet. Ze lag al lange tijd wakker, op
haar rug, starend naar het plafond, wachtend tot Adam uit zijn slaap zou
ontwaken.
Uit alle macht probeerde ze doodstil te blijven liggen toen ze zijn hand zag,
vanuit haar ooghoek, die naar haar toe kwam. Ze wilde niet verkrampen, maar
voelde toch ongewild hoe haar spieren zich spanden. Het was een reflex; een
beschermende houding die haar lichaam aan wilde nemen als hij haar betaste.
Omdat zelfs de simpelste aanraking haar leek te verscheuren van binnen.
Adam legde zijn hand op haar borst en masseerde het zachte vlees. Hij kroop
dichter tegen haar aan, drukte zijn lippen in haar hals en vroeg toonloos: ‘Ben
je wakker?’
Enna liet een geforceerde glimlach zien. Toen sloot ze haar ogen en wachtte tot
Adam zich bovenop haar had laten zakken. Ze schonk hem haar lichaam, maar niet
meer dan dat. Terwijl hij woest zijn seksuele geneugten op haar botvierde, drong
ze de tranen terug en wachtte tot hij klaar was. Pas toen Adam vertrok naar de
badkamer durfde ze zich weer te bewegen. Haar lichaam voelde beurs en wankelend
kwam ze overeind. Ze verbeet de pijn die door haar lichaam trok toen ze de trap
afdaalde en in de keuken Adams ontbijt klaarmaakte.
Adam schrokte zijn roerei en toast naar binnen en vertrok naar zijn werk. Pas
vijftien minuten later, toen ze zeker wist dat hij werkelijk weg was, bewoog
Enna zich. Onder de douche probeerde ze Adam van zich af te wassen. Ze boende
tot haar huid rood was en schrijnde en de wonden op haar rug en bovenarmen
opnieuw begonnen te bloeden.
Toen de ochtend ten einde liep, vertrok ze. Het was rustig in de kerk, alleen de
priester was er. Hij glimlachte toen ze binnentrad. Enna knikte naar hem als
groet. Ze liep langs de banken, naar het altaar met het houten kruis en de
flakkerende kaarsen. Daar zakte ze op haar knieën, vouwde haar handen ineen,
sloot haar ogen en begon weer te bidden.
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
‘Hij hoort
je niet,’ zei een warme, aangename stem achter haar.
Enna opende haar ogen en wierp een blik over haar schouder. Op de voorste
kerkbank zat een jongeman. Hij zat er ontspannen; in kleermakerszit, met
gevouwen handen, zijn ellebogen rustend op zijn knieën. Hij keek haar aan met
twee donkere ogen die leken te gloeien in het licht van de kaarsen.
‘God heeft het te druk.’
Enna wilde iets zeggen, maar ze kon geen woorden vinden. Ze keek de jongeman
verbijsterd aan. Hij stond op en liep naar haar toe. Zijn bewegingen waren
gracieus en toen hij naast haar op de koude vloer ging zitten, zag ze dat zijn
gelaat bijna onmenselijk leek. Zijn huid was wit en gaaf, alsof het uit steen
was gebeiteld. Twee zwarte ogen keken haar belangstellend en gefascineerd aan.
‘Het is niet erg, Enna,’ zei hij en hij glimlachte weer. Hij knikte naar het
altaar. ‘Ook al heeft Hij geen tijd, er is altijd iemand die je wèl hoort.’
Enna knipperde met haar ogen. ‘Hoe weet je mijn naam?’ vroeg ze.
‘Ik weet wie je bent,’ zei de jongeman. Hij knipoogde. ‘Je komt hier elke dag.
Je bent hier om God om verlossing te vragen. Om Hem te vragen een einde te maken
aan de hel waarin je leeft.’
Enna knikte alleen maar.
‘Maar God weet niet hoe de hel er uit ziet. Hij is er nooit geweest. Hij kan je
niet helpen, Enna,’ zei hij. ‘Ik wel.’
Een merkwaardige nieuwsgierigheid trok door haar lichaam. ‘Wie ben je?’ vroeg ze.
De jongeman glimlachte. ‘Ik heb veel namen. Je mag me Belial noemen.’
Enna kon de verwarde blik niet van haar gezicht laten verdwijnen, maar ze werd
meegesleurd door de kalmte van de man naast haar. ‘Hoe kun je me dan helpen?’
vroeg ze.
Belial had zijn blik onlosmakelijk gevestigd op haar gezicht. ‘Ik weet wat je
wilt, Enna. En ik kan het je geven. Ik wil je graag helpen.’
‘Hoe weet jij nu wat ik wil?’
Belial lachte. ‘Wraak,’ zei hij nonchalant. ‘Dat is wat ik zie als ik naar je
kijk. Heb ik gelijk?’
Enna wilde haar hoofd schudden. Hoe kon Belial nu weten wat ze wilde? Maar ze
wist dat hij gelijk had. Want ondanks haar smeekbeden tot God om haar te
verlossen, was er een andere wens die steeds meer kracht kreeg. Diep van binnen
wilde ze niet alleen gered worden. Ze wilde dat Adam zou boeten.
‘Je hoeft het niet hardop te zeggen,’ zei Belial. ‘Je hoeft alleen maar te
knikken.’
Enna bewoog niet. Ze durfde niet toe te geven aan haar diepste, donkerste
verlangen.
‘Ik kan zien wat hij heeft gedaan. Adam. Ik zie niet de wonden op je huid, maar
ik zie de wonden van je ziel, Enna,’ zei Belial ernstig. De blik in zijn donkere
ogen veranderde. ‘Het lichaam kan helen, maar de ziel niet. Die wonden zullen
niet verdwijnen en de littekens vervagen niet.’
Enna huiverde.
‘Ik wil je helpen. Ik wil dat je gelukkig bent. Geen mens verdient deze pijn.
Mag ik je helpen, Enna?’
Ze knikte.
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
‘Waar ben je
geweest?’ vroeg Adam. De toon in zijn stem was onmiskenbaar; hij was woedend.
Zijn hele lichaam was gespannen, als dat van een roofdier dat klaar stond om
zijn prooi te verscheuren.
‘In de kerk,’ zei Enna. Haar stem trilde ongewild, maar dit keer niet van angst.
Adam zou haar niet meer aanraken. Nooit meer. Ze liep de woonkamer in en
trotseerde zijn furieuze blik met een kalmte die haar bijna onnatuurlijk voor
kwam. Zelfs toen hij overeind sprong kromp ze niet ineen. Ze voelde zich sterk.
Sterker dan ooit tevoren.
‘Wat moet jij in de kerk?’ sneerde Adam. ‘Je gelooft niet eens in God.’
‘Nee,’ zei Enna. ‘Ik geloof niet in Hem en Hij heeft mijn smeekbede niet
verhoord.’
Adam fronste. ‘Wat is er met je aan de hand?’
‘God heeft me niet gehoord, Adam. Maar iemand anders wel.’
De furieuze blik in Adams ogen maakte plaats voor verwarring en verbijstering.
Hij staarde zijn vrouw aan alsof ze gek was, en misschien was ze dat ook wel.
Maar krankzinnigheid maakte haar woede en razernij niet minder.
Enna liep naar het midden van de woonkamer. Ze knipperde niet met haar ogen toen
ze de zwarte rookkringen zag die plotseling in de lucht verschenen, vlakbij de
tuindeuren. De rook nam een vorm aan en Belials gestalte werd langzaam
duidelijker. Ze was allerminst verbaasd door Belials plotselinge verschijning,
hij had immers gezegd dat hij zou komen.
Adam volgde Enna’s blik en draaide zich met een ruk om. Hij stootte een
verstikte kreet uit, een mengeling van verbijstering en woede. ‘Wie heeft jou
hier binnengelaten?’ vroeg hij. ‘Wie ben je?’
Belial glimlachte alleen maar. Zijn donkere ogen gloeiden als smeulende kolen en
de geur van zwavel vulde de woonkamer. Adam bleef als bevroren staan toen Belial
naar hem toeliep. Alleen zijn ogen bewogen; van Enna naar Belial en weer terug.
‘Ik kom je halen, Adam,’ zei Belial. Hij stak zijn hand uit. Adam verroerde zich
niet, maar er was niets over van de tiran die hij enkele uren geleden nog was
geweest. Zijn grote gestalte leek in het niet te vallen bij de grootse
aanwezigheid van Belial en zijn woede was niet meer dan een koele bries die geen
enkele kracht meer had.
‘Tijd om te gaan,’ zei Belial. Hij glimlachte naar Enna. ‘Mijn onderdanen
wachten op je, Adam.’
‘Waar –’
Adam gilde toen Belial zijn pols vastpakte. Het was geen schreeuw van woede of
rancune, maar een kreet van pijn. De geur van brandend vlees drong Enna’s neus
binnen. Adam gilde opnieuw. Toen zakte de grote Adam door zijn knieën;
onderdanig. En de restjes dreiging die hem hadden vervuld, brokkelden af en
vervlogen.
‘Waar gaan we heen?’ vroeg hij jammerend.
Belial glimlachte. ‘Naar de hel.’